Ze was verpleegkundige. Haar man wilde boer in Frankrijk worden en zij was hem gevolgd. Tot haar grote spijt waren haar diploma’s daar niet geldig en kon ze haar geliefde werk niet voortzetten. Ze heeft er jaren gewoond en zich altijd eenzaam gevoeld. Ze hadden drie kinderen en drie pleegkinderen. Eén pleegkind was geestelijk en lichamelijk zwaar gehandicapt. Tot aan zijn dood zorgde ze voor hem, wat geen geringe opgaaf was. Ze kon nog steeds niet met droge ogen over hem praten, want ze hield zielsveel van hem en hij heeft veel geleden. Ze had heimwee naar Nederland en nam het haar man kwalijk dat hij in Frankrijk wilde blijven. In de zomer kwam ze altijd met haar caravan een paar maanden naar Nederland om dicht bij haar dochter en kleinkinderen haar felbegeerde ‘Nederlandse leven’ te leiden.
Ze voelde zich al een poosje niet goed, maar had daar geen aandacht aan besteed. In Nederland werd ze ernstig ziek en wat eerst een galblaas-operatie leek bleek een kankergezwel met veel metastasen te zijn. Ze begon aan een chemokuur, maar moest daar vroegtijdig mee stoppen omdat het haar onmiddellijke dood zou zijn geworden. Zo kwam ze verzwakt, ziek en misselijk in het hospice. Haar man verbleef op de camping.
De oudste dochter werkte week op week af in Frankrijk en was in die volgorde ook in het hospice. Ze logeerde op het opklapbed bij haar moeder op de kamer. Die twee waren heel close. Ze spraken Frans met elkaar en hun contact leek luchtig en soepel. Mevrouw vertelde mij dat ze ’s nachts vaak om 4 uur huilend wakker werd en dat haar dochter dan meehuilde. Deze oudste dochter kon haar verdriet niet laten zien, maar haar onmacht en pijn waren duidelijk af te lezen aan de manier waarop ze met een zekere verbetenheid allerlei dingen voor haar moeder regelde. Moeder was zelf zeer wel in staat haar zaakjes te regelen, maar leek dan wat hulpeloos en lamgeslagen.
De jongste, een zoon kwam niet vaak. Hij sprak Frans en kon de Nederlandse taal ook niet goed verstaan. Daarnaast was hij boos dat zijn moeder op een plek was waar de behandeling niet meer op genezing gericht is. In Frankrijk zouden ze dat anders doen... Hij was boos op de huisarts. Tijdens een gesprek met haar leek hij op de vuist te willen gaan. Het was nog een hele klus voor de speciaal ingehuurde tolk (die zich had voorbereid op een medisch gesprek) om die hoog oplopende emoties enigszins waarheidsgetrouw te vertalen… Tot onze verbazing was zijn boosheid daarna weg en kon hij veel meer ontspannen aanwezig zijn. Zijn moeder verklaarde dat het voor hem nodig was geweest om als een man voor haar op te komen.
De middelste, een dochter kwam vooral in de weken waarin haar zus in het buitenland was. Dan voelde ze wat meer ruimte, zei ze, omdat het toch wel druk was met een baan en twee kinderen. Haar zoontje had veel structuur, aandacht en begeleiding nodig. Hij kon niet lang rustig zijn en ze was bang dat het dan te druk werd voor haar moeder en de andere gasten in het hospice.
Later benoemde ze dat ze het moeilijk vond om naast haar oudste zus haar plek in te nemen. Dat haar moeder een veel beter contact had met haar zus dan met haar. Ik dacht iets anders te zien, want het leek erop dat er stukje bij beetje meer vertrouwelijkheid ontstond tussen de moeder en deze dochter. Zij was toch ook degene die haar moeder kleinkinderen had geschonken. Op een avond hebben we daar over gepraat. Ik probeerde uit te leggen dat zij en haar zus erg verschillend waren en dat het dan eigenlijk niet anders kan dan dat het contact met moeder ook anders is. Dat je als kind geen gemakkelijke positie hebt als je ouders elkaar zulke diepgaande verwijten maken en je ziet dat je moeder ongelukkig is. En dat haar zus als oudste kind misschien wel probeerde hun moeder op deze manier te redden. Ze leek het direct te begrijpen, kreeg tranen in haar ogen, maar wist tegelijkertijd ook geen passende manier om contact met haar zus te maken. Ik opperde dat ze haar zus misschien kon vragen om zich over haar zoontje te ontfermen als ze in het hospice kwamen. Ze zouden samen een spelletje kunnen doen of een ijsje eten in de stad. Ik vertelde ook dat ik de pijn bij haar zus had gezien, toen oma in haar eigen oude poëzie album onder een stortvloed van tranen probeerde iets voor haar kleindochter te schrijven. “Voor mij hoef je dat niet te doen, want ik heb geen kinderen” had ze gezegd.
Toen het mevrouw een tijdlang beter ging, worstelden de oudste en de jongste er mee dat moeder echt niet naar Frankrijk terug wilde om zich alsnog te laten behandelen. De middelste was vooral blij met de extra tijd die ze met haar moeder kreeg. Beetje bij beetje konden ze naar elkaar uitspreken wat voorheen ongezegd bleef. Hun moeder werd heen en weer geslingerd tussen vreugde om het uitstel en woede om haar onverbiddelijk naderende dood.
De echtgenoot kwam trouw een paar keer per dag op vaste tijden op bezoek. Hij deed erg zijn best om het zijn vrouw naar de zin te maken. Hij zag alles wat er met zijn vrouw en kinderen gebeurde, maar liet zich er niet over uit. Voordat ze stierf heeft ze lange zware dagen moeten doorleven. Dat deed ze dapper. Ze was achteraf toch blij met de extra tijd die ze gekregen had. Haar tweede dochter was dank zij de extra tijd zo vertrouwd met haar moeder geworden, dat ze mee kon helpen haar de laatste zorg te geven.
Reageer op dit artikel
lees altijd met (veel plezier) je verhalen, maar bij dit verhaal denk ik toch dat de moeder met een gelukkig gevoel gestorven is , wetende dat haar twee dochters zou dicht bij elkaar zijn gekomen, ik weet dat het hospice in Zeist staat mijn geboortedorp , maar zit me altijd af tevragen
waar precies,weer dank voor je mooie verhaal,Miep..
11 april, 2010