De zoeker met het gouden hart, of: hoe Stoere Jack het geluk vond
Stoere Jack was een stoere vent om te zien. Hij had dor, lang haar vol knopen,
een baard waar hij met rouwnagels in krabde en hij maalde tabak tussen zijn rottende
tanden die er na vele gevechten nog waren. Dag in, dag uit droeg hij een lange,
leren jas die hij zelf had geschoten. Een koe had een poot gebroken; die nacht
had Jack hard doorgewerkt. De volgende ochtend trok hij verder met zijn kudde,
een koe armer, een warme jas rijker.
Op een dag begon er bij Stoere Jack iets te jeuken. Eerst had hij het niet zo
door, maar toen hij al een week niet had gesproken, besefte hij wat het was. Het
was elke dag dezelfde drukte op de vlaktes. Koeien hoeden, kalveren lassoën, dat
eeuwige geboe; hij was het beu.
“Ik zit gewoon niet lekker in mijn vel,” biechte Jack die avond op, met de andere
stoere cowboys rond het kampvuur. ,,Ik ben niet echt gelukkig. Dat is toch wat
een mens wil, uiteindelijk, in het leven? Dat je met een juichend gevoel wakker
wordt? Nou, ik voel me gewoon al tijden niet mezelf. Ik wil rust en lekker mijn
eigen ding doen.” Niemand verstond Stoere Jack. Dat was al jaren zo en iedereen was het gewend.
Jack ook. Hij had zijn hart gelucht en stond op. Met stofwolken rond zijn afgetrapte
laarzen beende hij naar zijn zadeltassen en trok zijn deken eruit. Jack had zijn
besluit genomen. Morgen werd een nieuwe dag.
Dagenlang reisden Stoere Jack en zijn paard over vlaktes die ze kenden, tot ver
er voorbij, op zoek naar waar Jack over gehoord had.
Op een middag vond hij het: een slaperig stadje, trillend in de brandende zon.
Bij het bankkantoor legde hij een zak munten op de balie. Hij kreeg er een vergunning
voor terug. Met een pikhouweel, een schop en een zeef trok hij naar de plek waar een kruis
op de landkaart was gezet.
Stoere Jack kwam weinig mensen tegen. De mannen die op grote afstand van elkaar
gebogen in de rivier stonden, keken nauwelijks naar hem om. Ze staken hun hand
niet op ten antwoord; ze bleven zeven.
Stoere Jack klopte zijn paard op de hals, bij hun stukje land en water. Daar
stond zijn kruis. Hij knikte tevreden.
En zo werkte Jack de rest van zijn dagen in de kabbelende beek. Opnieuw en opnieuw
zeefde hij brokjes steen en rots en klei en gladgespoeld glas en verweerd hout
te voorschijn. Hij poetste ze, voelde, woog, waste, brak er een stukje tand op
af als het leek alsof… alsof…
Bij elk klompje dat Jack terugwierp in het water, mompelde hij een groet. ,,Ik
wens je een fijn, ongestoord bestaan in de rivier. Misschien heb ik je niet goed
beoordeeld. Dan spijt me dat, goudklompje. Ik heb er misschien geen oog voor.
Maar mijn hart is vol van jullie. Het doet me goed te weten dat jullie er zijn,
hier, daar, overal in de wereld.”
Na jaren gonsde het van de geruchten over het goud van Stoere Jack. Sinds de
dag dat iemand dicht genoeg bij hem was gekomen om de lichtjes in zijn ogen te
zien.
Stoere Jack zei er nooit iets over. Hij wist dat de meeste mensen zien en zeggen
wat ze willen en dat woorden aan hen zijn verspild. Hij wist ook dat wie zijn
geluk begreep, geen woorden nodig had. Die herkende het pure goud in Stoere Jacks
glimlach.
Suzanne Buis
Reageer op dit artikel